Impuls Blog: Academische kletspraat
Het is de tijd van de beste wensen en goede voornemens. Wat ik mijzelf al langer wens (en tevergeefs voorneem) is om mij niet zo te storen aan academici die zich bezondigen aan kletspraat. En dan bedoel ik niet een babbeltje bij de koffieautomaat, want daar komen soms de mooiste dingen uit voort. Nee ik bedoel het verkondigen van flauwekul op titel van je academische status.
Geleerden van de universiteit die bij tijd en wijle met grote ernst even grote onzin verkopen over zaken waar zij bepaald niet voor hebben doorgeleerd. En zonder enige verifieerbare verwijzing naar onderzoek. Bijvoorbeeld de jurist over het verspreidingsgevaar van het SARS-CoV-2 virus. De gepromoveerde chemicus over de toestand in de wereld. Hoogleraren die ’s avonds aanschuiven bij de talkshows en in het wilde weg maar wat talken over van alles en nog wat.
Hoogleraren die ‘s avonds aanschuiven bij de talkshows en in het wilde weg maar wat talken over van alles en nog wat.
Razend word ik ervan. En dat is niet goed. Want er is al razernij genoeg in de wereld, dus daar heb ik weinig aan toe te voegen. Vandaar dat voornemen. Laat ze toch, die hooggeleerde ijdeltuiten, gun ze hun 15 minutes of fame. Als de lezer of kijker er nu eenmaal schik in heeft …
Maar recent sloeg het toch weer toe. Dit keer een artikel in Het Financieele Dagblad (FD) (‘Overal is banengroei, maar niet in die randregio’s met veel industrie’, 15 december 2025). Aanleiding was een recente prognose van het UWV, dat een krimp van de werkgelegenheid voorziet in onder meer Limburg en Zeeland, in het bijzonder in de chemische industrie. Op zich weinig spetterend nieuws, dat overigens wel bijzonder serieus genomen moet worden. Maar niet getreurd, het FD trok aan de bel bij een aantal wetenschappers en vroeg om een reactie
Dat het FD vervolgens bij Jol Stoffers terechtkomt is logisch. Als lector Employability verbonden aan Zuyd Hogeschool, als hoogleraar aan de Open Universiteit en wetenschappelijk directeur van NEIMED, het kenniscentrum voor sociaaleconomische en brede welvaart-vraagstukken in Limburg, heeft Stoffers goed zicht op de stand van het onderzoek naar de Limburgse arbeidsmarkt en economische structuur. Met interesse las ik dan ook zijn genuanceerde reactie op de UWV-voorspellingen.
Hij kent de regionale economie vooral van zijn netwerk, zo schrijft de krant.
Maar vervolgens komt de Tilburgse emeritus hoogleraar financiële economie Sylvester Eijffinger aan het woord. Hij kent de regionale economie vooral van zijn netwerk, zo staat in het artikel. Limburgers wachten af en zijn geneigd hun hand op te houden in Den Haag, stelt Eijffinger. ‘Limburgers zijn buitengewoon effectief in de politieke beïnvloeding. Zij hebben een houding van: wij zijn het appendix van Nederland, een grensprovincie, hebben het moeilijk, zitten in het verdomhoekje en zijn zielig, dus moeten we geholpen worden door Den Haag. Met die gedachte van een achtergestelde regio die gered moet worden, komen ze altijd weg. Net als Italië, Zuid-Italië zeker.’
Ik ontplof. Hoezo “kennis vanuit het netwerk”? Wie zijn dat, wat zeggen zij, hoe is dat onderzocht en waar kan ik dat terugvinden? Hoezo “buitengewoon effectief in beïnvloeding”? Wat is dat voor wetenschappelijke kwalificatie? Hoezo “zielig” en “komen ze altijd weg”? Om over “Zuid-Italië” nog maar niet te spreken. Als dit academisch doordacht en verantwoord is, eet ik per direct mijn bul op.
Als dit academisch doordacht en verantwoord is, eet ik per direct mijn bul op.
Dan komt in het artikel een universitair onderzoeker aan het woord die terughoudender lijkt te zijn. Paul Brusse is als economisch-geografisch historicus verbonden aan de Universiteit Utrecht. Deze maand komt zijn boek uit over 1.000 jaar economisch-geografische geschiedenis van Nederland. ‘Ik geloof pertinent niet in volkskarakters’, zo laat hij optekenen. Nou, dat lijkt mij verstandig, al komen de termen “geloof” en “pertinent” bij mij weinig academisch over. Maar dan gaat ook Brusse los, nu over Zeeland: ‘Zeeland ligt in de schaduw van twee grote centra, Antwerpen en Rotterdam. Er zijn miljarden in de economie en infrastructuur geïnvesteerd, maar Zeeuwen komen er niet tussenuit, tot hun grote frustratie. Economisch liepen ze achteraan en dat is nog steeds zo. Het gebeurt daar niet en het zal ook nooit gebeuren … Zeeland is het Florida van Nederland, waar gepensioneerden graag hun oude dag doorbrengen.’
Ik ben perplex. Hoezo “miljarden in de economie en infrastructuur geïnvesteerd”? Hoeveel dan? En wat is daarvan naar de Deltawerken en naar Borssele gegaan? Hoezo “liepen de Zeeuwen achteraan en dat is nog steeds zo”? Wat staat er in dat boek van Brusse over de Zeeuwse zeehavens, toen Antwerpen en Rotterdam nog nauwelijks een rol speelden? En waarom zou Zeeland zijn prominente rol in de agrifood, biochemie en energie- en klimaattechnologie niet verder kunnen uitbouwen? En “Florida” … moeten we dat echt serieus nemen?
De gezamenlijke nationale adviesraden constateren dat het Rijk de afgelopen decennia een investeringsbeleid heeft gevoerd dat vooral ten goede is gekomen aan de economische kerngebieden.
In 2023 verscheen Elke regio telt!, een grootschalig onderzoek van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. Deze gezamenlijke nationale adviesraden constateren dat het Rijk de afgelopen decennia een investeringsbeleid heeft gevoerd dat vooral ten goede is gekomen aan de economische kerngebieden (lees: de Randstad en de regio Eindhoven). De gedachte was dat hiermee ook de perifere gebieden zouden worden meegenomen, maar juist het omgekeerde is gebeurd: de kansen van deze gebieden worden juist belemmerd door de beleidsfocus op de sterke regio’s. ‘Onderzoek laat zien dat het tegenovergestelde gebeurt en dat sterke gebieden de andere gebieden juist verder leegtrekken. De beleidsaandacht voor regio’s waar sprake is van achterstanden in brede welvaart beperkt zich hoofdzakelijk tot het bekostigen van de gevolgen van de bestaande achterstanden. Wat ontbreekt zijn gerichte investeringen in structurele oplossingen en kansen voor de regio’s buiten de economisch krachtige gebieden, op basis van een samenhangende toekomstgerichte visie op regionale ontwikkeling van brede welvaart.’ (p. 45)
Het is volstrekt duidelijk wat de rol en functie is van de genoemde adviesraden. Hun onderzoek is gedegen uitgevoerd, hun bevindingen controleerbaar en hun adviezen vloeien hier logisch uit voort. Daar hadden Eijffinger en Brusse best een voorbeeld aan mogen nemen. En belangrijker nog: zij hadden zich van de inhoud van het onderzoek op de hoogte kunnen, nee moeten stellen. Want elke regio telt, óók voor academici.
Elke regio telt, óók voor academici.
Eijffinger is een gerenommeerd wetenschapper in de financiële economie. En ik kijk oprecht uit naar het nieuwe boek van Brusse. Het is dan ook geenszins mijn bedoeling hen als academici te diskwalificeren. Waar het om gaat is dat zij, en met hen velen, worden uitgenodigd voor een reactie vanwege hun academische status, maar zich vervolgens aan bepaald onacademische opvattingen bezondigen.
Met het nieuwe jaar zijn er weer volop nieuwe kansen. Voor de wetenschap, voor Limburg en Zeeland en ook voor mijzelf. Dus zal ik mij niet meer druk maken over academische kletspraat. Ik hou er mee op. Beloofd. Basta.
Nou ja, bij deze nog eentje dan. De laatste. Echt.
André Postema, bestuursvoorzitter Zuyd Hogeschool
Lees hier het artikel in het FD (alleen voor abonnees): Overal is er banengroei, maar niet in de randgebieden met veel industrie