Overslaan en naar de inhoud gaan Skip to footer Skip to search Skip to menu
Nieuwsbericht

Twee maten

5 augustus 2026 4 minuten leestijd
Blog Andre impuls

Mijn zomerblogs zijn traditioneel easy going. Voetjes in het water, drankje in de hand, boek op schoot. Maar helaas hield ik geen rekening met de onnavolgbaarheid van het Nederlandse wetenschaps- en onderzoeksbeleid. Een onderwerp dat mij telkens weer verbaast en dat bij velen inmiddels vooral frustratie oproept. 
 

Voetjes in het water maar helaas hield ik geen rekening met de onnavolgbaarheid van het Nederlandse wetenschaps- en onderzoeksbeleid 

Mijn partner en ik zijn twee echte maten. Natuurlijk als levenspartners, maar net zo goed als fietsmaat, koksmaat, scheepsmaat en in tal van andere rollen die horen bij een hechte relatie. Samen dingen doen maakt het leven niet alleen leuker, maar ook rijker.  Ook onze liefde voor wetenschap delen we. In dat opzicht zijn we echte soul mates. 

Al jarenlang doet zij, zowel zelfstandig als in teamverband, wetenschappelijk onderzoek. Zij vertaalt onderzoeksresultaten naar de praktijk, deelt haar kennis op de werkvloer, op symposia en in wetenschappelijke publicaties en begeleidt promovendi en collega-onderzoekers. Zij is actief in internationale onderzoeksconsortia, verzorgt onderwijs en bouwt bruggen tussen wetenschap en praktijk. Op haar publicatielijst prijkt onder meer een artikel in JAMA, een van de meest prestigieuze medische tijdschriften ter wereld. Daarnaast is zij bijzonder succesvol in valorisatie: het omzetten van wetenschappelijke kennis in concrete toepassingen. Voor een recent ontwikkeld medisch hulpmiddel ontving haar team onlangs een omvangrijke EFRO-subsidie (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling) van de EU om de klinische onderzoeksfase te financieren.

Verbondenheid aan een universiteit blijkt geen voorwaarde om toponderzoek te doen 

Mijn partner is niet verbonden aan een universiteit. Dat blijkt ook helemaal niet nodig. Een groot topklinisch ziekenhuis, internationale wetenschappelijke netwerken, medische genootschappen en een FemTech-onderneming bieden haar de omgeving om onderzoek van topniveau te verrichten én de stap naar de praktijk te zetten. 

Alles paletti – okidoki – dus? Helaas niet. 

Want als het gaat om wetenschappelijk onderzoek wordt er in Nederland nog altijd met twee maten gemeten. En dan bedoel ik met “maten” niet verbondenheid, maar een hardnekkig onderscheid waarvoor inhoudelijk steeds minder rechtvaardiging bestaat. 

Bij wetenschappelijk onderzoek wordt in Nederland nog altijd met twee maten gemeten 

Het debat over het promotierecht is daarvan een bekend voorbeeld. Vanuit hogescholen, topklinische ziekenhuizen en TO2-instituten (topinstituten voor toegepast onderzoek) worden jaarlijks tal van promotietrajecten inhoudelijk begeleid. Toch blijven de formele graadverlening en de bijbehorende financiering voorbehouden aan universiteiten, óók wanneer die gedurende het traject nauwelijks een inhoudelijke bijdrage hebben geleverd. 

Een ander voorbeeld is de discussie over de kwalificatie als onderzoeksorganisatie. 

Voor het ministerie van OCW en voor de NWO is het zonneklaar dat hogescholen zich zowel wettelijk als feitelijk kwalificeren als onderzoeksorganisatie. Bij het ministerie van VWS en bij ZonMw, de organisatie die gezondheidsonderzoek en zorginnovatie financiert en stimuleert, ligt dat echter regelmatig anders, zonder dat daarvoor een overtuigende juridische of inhoudelijke onderbouwing wordt gegeven. 

De gevolgen zijn aanzienlijk. Hogescholen, topklinische ziekenhuizen en TO2-instituten worden geconfronteerd met kostbare en onnodige staatssteuntoetsen, ingewikkelde constructies waarbij een universiteit als penvoerder moet optreden of zelfs uitsluiting van bepaalde subsidieregelingen. 

Dat is opmerkelijk. Zowel de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), de Europese Algemene Groepsvrijstellingsverordening als de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie laten weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat hogescholen als onderzoeksorganisatie moeten worden erkend. 

Hogescholen worden belemmerd in het uitvoeren van hun wettelijke onderzoekstaak 

In de praktijk betekent dit dat hogescholen – waaronder mijn eigen Zuyd Hogeschool – worden belemmerd in het uitvoeren van hun wettelijke opdracht: het verrichten van ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en praktijkgericht onderzoek (artikel 1.3, derde lid, WHW). 

Dat is bepaald geen marginale activiteit. Volgens de Monitor Praktijkgericht Onderzoek 2024 van het Rathenau Instituut zijn in Nederland inmiddels bijna 800 lectoren en ongeveer 5.400 docent-onderzoekers actief en gaat jaarlijks ruim een half miljard euro om in praktijkgericht onderzoek. 

Deze ongelijke behandeling is niet alleen inconsistent en onrechtvaardig; zij schaadt ook het Nederlandse onderzoeks- en innovatievermogen. Onderzoeksmiddelen worden minder doelmatig ingezet, onderzoekers verliezen kostbare tijd aan onnodige procedures en de samenwerking tussen kennisinstellingen wordt onnodig bemoeilijkt.  

Daarmee houden we ook de Nederlandse innovatieparadox in stand: internationaal behoren we tot de wereldtop als het gaat om wetenschappelijke kennisproductie, maar we slagen er nog te vaak onvoldoende in die kennis om te zetten in maatschappelijke en economische innovatie. 

Tijd om met één maat te meten

Daarom een eenvoudige oproep: erken en waardeer wetenschappelijk onderzoek, óók wanneer het buiten de universiteit plaatsvindt. Niet de institutionele inbedding, maar de kwaliteit van het onderzoek en de maatschappelijke betekenis ervan zouden leidend moeten zijn. 

Dat is goed voor de wetenschap. Goed voor ons innovatievermogen. Goed voor ons land. En, eerlijk is eerlijk, ook goed voor mijn vakantierust. 

En die van mijn maat. 

André Postema, bestuursvoorzitter Zuyd Hogeschool