Overslaan en naar de inhoud gaan Skip to footer Skip to search Skip to menu
Nieuws

Impuls Blog: Hora est!

6 mei 2026 3 minuten leestijd
Blog Andre impuls.png.webp

Als iets het Nederlandse onderzoekslandschap de afgelopen decennia heeft veranderd, dan is dat wel het praktijkgericht onderzoek van het hbo. Tot de eeuwwisseling was het doen van onderzoek als onderdeel van ons hoger onderwijsstelsel voorbehouden aan de universiteiten. Die, ondanks hun geschiedenis die teruggaat tot de Tachtigjarige Oorlog, zelf relatieve laatkomers waren als het gaat om wetenschappelijk onderzoek. Tot de 19e eeuw gebeurde dit vooral buiten de universiteiten – in werkplaatsen, laboratoria en wetenschappelijke genootschappen. Maar sindsdien heeft het universitaire onderzoek – ook internationaal – een hoge vlucht genomen. Daar mogen we met z’n allen trots op zijn.

Sinds het jaar 2000 is het universitaire onderzoek aangevuld met het praktijkgerichte onderzoek van de hogescholen. Dit kent overeenkomsten en verschillen. Gelijk zijn de wetenschappelijke standaarden: het onderzoek moet een systematische opzet kennen en objectief, betrouwbaar en controleerbaar zijn. Maar de insteek van het praktijkgericht onderzoek van de hogescholen is wezenlijk anders dan het fundamentele en toegepaste onderzoek van de universiteiten.

De insteek van het praktijkgericht onderzoek van de hogescholen is wezenlijk anders dan het fundamentele en toegepaste onderzoek van de universiteiten

Doel is namelijk het oplossen van een actueel, specifiek en praktijkgericht probleem, waaraan een duidelijke vraag vanuit het werkveld ten grondslag ligt. Het resultaat, de opbrengst, verschilt eveneens. Voor een academicus is dat, kort door de bocht, een getoetste theoretische bevinding of inzicht dat door middel van een artikel of een wetenschappelijk congres onder vakgenoten wordt verspreid. Voor een praktijkonderzoeker is dat een kennisproduct, zoals een tool, een proces, een businessmodel, dat direct toepasbaar is om concrete beroepsuitdagingen op te lossen.

Het praktijkgericht onderzoek is de afgelopen decennia een wezenlijk bestanddeel van het Nederlandse wetenschaps- en innovatiesysteem geworden (zie ook de Monitor Praktijkgericht Onderzoek van het Rathenau Instituut). En de complementariteit van én wisselwerking tussen universiteit en hogeschool werken hierin goed: zij weten elkaar steeds beter te vinden. Er is, met andere woorden, sprake van een onderzoekscontinuüm.

Des te opmerkelijker is het, dat hogescholen tot op heden geen wettelijk erkend doctoraatstraject aanbieden. Voor deze zogeheten derde opleidingscyclus – na de bachelor en de master – moet de praktijkonderzoeker ineens schuin oversteken naar een universiteit, waar tot op heden het monopolie op het promotierecht, het ius promovendi, ligt. Daarmee wordt de eigenstandige, gewaardeerde positie van het praktijkgericht onderzoek ernstig tekortgedaan.

Universiteiten en hogescholen zien de derde cyclus in het hbo als een waardevolle toevoeging aan het huidige stelsel van hoger onderwijs

Dat zagen ook de Nederlandse hogescholen en universiteiten, die enkele jaren geleden afspraken maakten over de invoering van het professioneel doctoraatstraject, als aanvulling op de bestaande academische promotie. Zij zien de derde cyclus in het hbo als een waardevolle toevoeging aan het huidige stelsel van hoger onderwijs. Ook de minister van OCW deelt die mening en heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend ter invoering van het professioneel doctoraat.

Ondertussen zijn de hogescholen in 2022 gestart met een pilot, waaraan landelijk 164 professioneel doctoraatskandidaten deelnemen. Ook bij Zuyd, met collega’s die zich aan het ontwikkelen zijn tot hooggekwalificeerde onderzoekende professionals die gespecialiseerd zijn in het interveniëren in complexe praktijken. En niet toevallig binnen de Kunsten, Hotelmanagement en Vrijetijdsbesteding – vakgebieden die in Nederland niet door de universiteiten, maar juist door de hogescholen worden bediend.

Vrees voor titelverwarring is niet nodig

Helaas is nog niet iedereen overtuigd, zo blijkt uit een rondgang onder Tweede Kamerleden. Maar die zorgen lijken zich vooral toe te spitsten op de titulatuur: naast de PhD-titel die is voorbehouden aan academisch gepromoveerden, komt er straks een PD-titel en men vreest verwarring. Dat is echter niet nodig. Met de Bologna-afspraken (1999) werd op Europees niveau het verlenen van internationaal herkenbare graden geïntroduceerd en net als bij de bachelor (B) en de master (M) met hun toevoegingen, past het doctorate (D) met zijn toevoegingen hier prima in.

Al met al is het de hoogste tijd voor een eigen doctoraatstraject voor de hogescholen. De behoefte in het werkveld is groot. De capaciteit en deskundigheid zijn aanwezig. De kwaliteit wordt geborgd. We zijn er klaar voor. Hora est!

André Postema, bestuursvoorzitter Zuyd Hogeschool